Het uitstellen van het abonnementstarief binnen de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning), in combinatie met voorgenomen beleidswijzigingen rond huishoudelijke hulp, heeft ingrijpende financiële gevolgen voor gemeenten. Het abonnementstarief – een vast, relatief laag bedrag dat cliënten betalen voor Wmo-voorzieningen – is ingevoerd om zorg toegankelijker te maken, maar leidde in de praktijk tot een sterke toename van het gebruik, met name van huishoudelijke hulp. Wanneer aanpassing of herziening van dit tarief wordt uitgesteld, worden we als gemeente geconfronteerd met een groeiende instroom en oplopende kosten. Omdat de rijksbijdrage niet altijd meebeweegt met de groeiende vraag, ontstaat er structurele druk op onze begroting. Tegelijkertijd vermindert het abonnementstarief de financiële drempel voor inwoners, waardoor de vraag minder gericht is op de meest kwetsbare groepen.
Overigens is in de huidige coalitieplannen opgenomen dat huishoudelijke hulp mogelijk per 2029 niet langer als maatwerkvoorziening binnen de Wmo wordt aangeboden. Aangezien huishoudelijke hulp een groot aandeel heeft in de totale Wmo-uitgaven, kan deze maatregel op termijn leiden tot een aanzienlijke kostenreductie voor gemeenten. Tegelijkertijd brengt dit ook financiële risico’s met zich mee. Het wegvallen van deze voorziening kan ertoe leiden dat inwoners langer wachten met het zoeken van ondersteuning, waardoor problemen verergeren en uiteindelijk duurdere vormen van zorg nodig zijn. Dit kan leiden tot kostenverschuivingen naar andere domeinen, zoals zwaardere Wmo-voorzieningen, de Wet langdurige zorg (Wlz) of de Zorgverzekeringswet (Zvw). Vanuit onze gemeenten investeren we al in preventieve vormen zoals reablement om inwoners zo lang mogelijk vitaal te houden (of weer te maken) om zelf zoveel mogelijk te blijven doen.
Tot slot laat het VNG-voorspelmodel zien dat wij als gemeente de komende vijf jaar te maken krijgen met een stijgend aantal gebruikers van Wmo-voorzieningen. Dit betekent dat wij inzetten op monitoring en afbuiging van de kosten door strak te indiceren en zoveel mogelijk preventieve inzet richting de doelgroep 50+.
